Een goede maisoogst begint in januari
Wat je nu al kunt doen
Voor veel veehouders pakte het afgelopen maïsseizoen overwegend positief uit, al waren de resultaten zeker niet overal gelijk. Verschillen in neerslag, bodemtype en perceelconditie zorgden regionaal voor duidelijke variatie in opbrengst en kwaliteit.
Opvallend is dat tegenvallende resultaten zelden te herleiden zijn tot één verkeerde beslissing. In de praktijk gaat het vaak om een combinatie van factoren die elkaar beïnvloeden: van bodemgesteldheid en rassenkeuze tot zaaizaadontsmetting, oogstmoment en inkuilstrategie. Juist door daar in januari bij stil te staan, wordt de basis gelegd voor een sterker nieuw seizoen.
Terugkijken op het afgelopen seizoen
Over het geheel genomen was de voederwaarde van veel maïskuilen goed. Dat blijkt ook uit de analyseresultaten van afgelopen jaar. Gemiddeld kwam de voederwaarde uit op ongeveer 1002 VEM per kilo droge stof, met een zetmeelgehalte van 372 gram per kilo droge stof en een NDF-verteerbaarheid van 55,9 procent. Deze cijfers laten zien dat de kwaliteit van de maïs in de basis op orde was.
Tegelijkertijd lag het drogestofgehalte met gemiddeld 40,3 procent bij veel bedrijven aan de hoge kant. Dat zegt iets over het groeiseizoen en de timing van de oogst, maar ook over de gekozen rassen. Door deze kengetallen te combineren met de eigen ervaringen op het erf, wordt duidelijk wat goed aansloot bij het bedrijf en waar nog verbeterkansen liggen voor het komende jaar.
Wat nemen we mee uit deze ervaringen?
De praktijk laat zien dat maïs niet op elk perceel onder dezelfde omstandigheden groeit. Percelen met een gevoeligere structuur, een koudere start, meer vogelvraat of extra druk van plaaginsecten vragen om een andere aanpak dan gronden waar de teelt probleemloos verloopt. Ook werd opnieuw duidelijk hoe bepalend de beginfase is: een ongelijkmatige opkomst, stress bij jonge planten of vraatschade werkt vaak het hele seizoen door.
Daarom vraagt niet elk perceel om hetzelfde type ras. Door risico’s te spreiden en meerdere rassen te zaaien, ontstaat meer rust en flexibiliteit. Wie kritisch kijkt naar wat vorig jaar goed ging en waar het tegenviel, legt een sterkere basis voor het nieuwe seizoen. In de praktijk kan een passende mengselkeuze zelfs zorgen voor tot wel 20% minder builenbrand in het perceel.
Waarom januari het beste moment is voor rassenkeuze
Januari is bij uitstek geschikt om vooruit te kijken, omdat de belangrijkste randvoorwaarden nu al bekend zijn. Je weet welke percelen beschikbaar zijn, hoeveel bemestingsruimte er is en welke rol maïs volgend seizoen in het rantsoen moet spelen. In het voorjaar worden keuzes vaak onder tijdsdruk gemaakt, terwijl ze juist nu met overzicht genomen kunnen worden.
Daarnaast zijn in deze periode rassenoverzichten en praktijkresultaten beschikbaar. Door hier tijdig naar te kijken, kun je gerichter kiezen en voorkom je dat populaire rassen of zaaizaadontsmettingen later niet meer beschikbaar zijn. Een vroege rassenkeuze vergroot de kans op een goede aansluiting tussen ras, perceel en bedrijfsdoel.
Waar moet je op letten bij maiskeuze?
Bij maïszaad bestaat geen universeel ‘beste’ ras. Het gaat om wat past bij jouw bedrijfssituatie. Wil je sturen op veel zetmeel per kilo droge stof, maximale hectare-opbrengst of een evenwicht tussen beide? Ook uniforme opkomst en stressbestendigheid spelen een belangrijke rol, zeker op percelen die gevoelig zijn voor kou of nattigheid.
Heb je hulp nodig bij het kiezen? Gebruik dit handige keuzeschema.
Wie vooraf helder heeft wat het doel van de maïs is, maakt de rassenkeuze overzichtelijker. Het helpt om niet te focussen op één kengetal, maar te kijken naar het totaalbeeld van opbrengst, voederwaarde en betrouwbaarheid. Binnen het DairyMais-assortiment ligt de nadruk op rassen die aansluiten bij uiteenlopende percelen en teeltdoelen, met oog voor stabiliteit en consistente voederwaarde.
Voederwaarde maakt het verschil
Maïs is meer dan alleen tonnen per hectare. Uiteindelijk telt wat de maïs bijdraagt in het rantsoen. Kengetallen als VEM, zetmeel en NDF-verteerbaarheid geven richting, maar vooral de onderlinge balans bepaalt het resultaat. In een grasrijk rantsoen kan zetmeelrijke maïs extra energie leveren, terwijl in andere situaties juist een hoge verteerbaarheid zorgt voor meer voeropname en melkproductie.
Door maïs te benaderen als voer in plaats van alleen als teelt, sluit de keuze beter aan bij de melkproductie en de benutting van het eigen ruwvoer.
De start bepaalt het eindresultaat
Veel uitdagingen in de maïsteelt ontstaan in de eerste weken na het zaaien. Een gelijkmatige opkomst en een goed ontwikkeld wortelstelsel zorgen ervoor dat planten nutriënten beter benutten en stress sneller herstellen. Omdat percelen sterk verschillen in draagkracht en opwarmingssnelheid, blijft maatwerk noodzakelijk.
Door het gewas tijdens het seizoen goed te volgen en waar nodig bij te sturen, wordt voorkomen dat tijdelijke problemen blijvend effect hebben op opbrengst en voederwaarde. Binnen het DairyMais-assortiment ligt de focus op rassen die juist in deze beginfase betrouwbaar presteren en later een stabiele kwaliteit leveren. Niet als garantie, maar als hulpmiddel om risico’s te beperken.
Wat kun je nu doen?
Dit is het moment om rustig terug te kijken op vorig jaar en keuzes te maken die logisch op elkaar aansluiten: van perceel en rassenkeuze tot het doel van de maïs in het rantsoen. Door deze keuzes nu vast te leggen en af te stemmen met je adviseur, voorkom je later haastwerk. Een goede voorbereiding in januari maakt dat je in het voorjaar sneller kunt schakelen en met vertrouwen het zaaiseizoen ingaat.
Tot en met 6 februari profiteer je van voorverkoopvoordeel op DairyMais. Meer weten? Klik hier.